De biopten die via de verschillende biopsiemethoden verkregen zijn, worden in het pathologisch laboratorium onderzocht. Het biopt wordt verwerkt en met verschillende markers (specifieke kleurstoffen) wordt er naar de cellen gekeken. Op deze manier kan er bepaald worden, of er in het biopt maligne cellen aanwezig zijn en om wat voor soort maligniteit het dan gaat. Dit is van belang om een eventuele behandeling in gang te kunnen zetten.
Voorbereiding biopten De biopten worden aangeleverd in formaline. Dit is een chemische stof die het weefsel fixeert. Op deze manier blijven aanwezige eiwitten en lipiden intact. Dit is belangrijk, omdat deze karakteristiek kunnen zijn voor mogelijke benigne of maligne processen. Bepaalde eiwitten kunnen bijvoorbeeld duiden op een ontsteking. Anderen duiden weer op maligniteiten. Vanuit het fixatief worden de biopten gedehydreerd. Dit wil zeggen dat ze via een chemisch proces ontdaan worden van water. Dit gebeurt met een alcoholoplossing en is nodig om de genoemde eiwitten of cellen te kunnen aankleuren.
De biopten worden vervolgens ingebed in kunsthars. Zo wordt het gemakkelijker om een biopt in plakjes van enkele micrometers te snijden. Deze dunne coupes maken het mogelijk om de afzonderlijke cellen onder de microscoop te kunnen bekijken. De coupes worden op een objectglaasje ingedroogd, waarna ze gekleurd kunnen worden.
Kleuring biopten De coupes kunnen met verschillende protocollen en verschillende kleurstoffen gekleurd worden. Elke kleurstof is specifiek voor bepaalde eiwitten, lipiden, of hormonen etc. Vaak wordt echter volstaan met een standaard HE-kleuring (haematoxyline-eosine). Dit is een kleuring die de cytoplasma’s oranje-geel (eosine) en de kernen paars-blauw (haematoxyline) aankleurt. Door een analist of patholoog-anatoom worden de coupes bekeken. Deze kijken of er afwijkingen te zien zijn en zo ja welke.
Beoordeling van de coupes Er wordt gelet op de volgende criteria:
Zijn er cellen die afwijken in grootte en vorm?
Zijn er kernen die afwijken in grootte en vorm?
Wat is de kwantiteit van deze afwijkende cellen?
In welke mate is er een onderlinge variatie in vorm en grootte van de afwijkende cellen en celkernen?
Zijn er kernlichaampjes aanwezig?
Zijn de afwijkende cellen beperkt tot de ductus of het stróma, of komen ze in beide voor?
Uit punt 1 en 2 bepaalt men of er sprake is van een maligniteit. Punt 3 tot en met 5 bepalen de graad van een eventuele tumor. Het is immers belangrijk om te weten of de tumor nog in een beginstadium verkeert, of dat deze al vergevorderd is. Uit punt 6 kan men bepalen of er sprake is van een invasieve tumor of een tumor in situ. Uit al deze punten trekt de patholoog-anatoom een conclusie. Deze wordt vervolgens naar de chirurg gestuurd. Deze bepaalt mede aan de hand van de röntgenfoto’s welk behandelplan moet worden opgesteld.
Verschillen tussen de biopten Het pathologisch laboratorium krijgt materiaal van verschillende bronnen aangeleverd. In dit geval is het materiaal afkomstig uit de mamma en kan het op 3 verschillende manieren verkregen zijn. Te weten, het core needle biopt, het vacuüm assisted biopt en het excisiebiopt. Het enige verschil tussen deze biopten is de manier waarop ze verkregen zijn en daaruit volgend de grootte van de biopten. Het core needle biopt is het kleinst, het excisiebiopt het grootst. Deze grootte heeft invloed op het pathologisch onderzoek dat er op wordt verricht. Uiteraard geldt de regel, hoe groter het biopt, hoe meer informatie er uit verkregen kan worden. Bovendien kan een groter biopt gemakkelijker verwerkt worden tot coupes.
Klik hier voor de discussie over de invloed van de keuze voor een biopsiemethode op het pathologisch laboratoriumonderzoek.